Advertisement

We're Getting Mutants in the MCU - The Loop

01:36

Rond de eeuwwisseling telde de Acunha-archipel 16000 bewoners. Er was een mengcultuur ontstaan van mensen met een portugese, noord-amerikaanse en westeuropese achtergrond. De taal veranderde in een soort esperanto. De meeste eilanders waren katholiek (75%) met als minderheden anglicanen, baptisten, methodisten, protestanten en joden. Van spanningen tussen de religieuze groepen was nauwelijks sprake. Het utopisch socialisme dat uitging van de beginselen van gelijkheid en solidariteit bracht ook tolerantie mee.

Economisch was Acunha in hoge mate autarkisch; er werd ijzer en steenkool ingevoerd, de proviandering van en reparatie aan schepen leverde inkomsten op. Uitvoer was er van guano van de bijeilanden, wolproducten, gedroogde vis, zout en magnesium, zwavel, bronwater, sierwerk van glas en hout. Vanaf 1901 was er een driewekelijkse lijnvaart op Kaapstad. De enige industrialisatie was er met textielfabricage, havenwerken, glas- en aardewerk, visverwerking en bouwmaterialen.

Aan het begin van de eeuw werd er sprake van politieke partijvorming tussen de roden (socialisten) en de blauwen (liberalen). De 8e president David Repetto (1856-1899-1909/1914-1919-1928) was een sociaal-liberaal, een overgangsfiguur, die Acunha uit haar isolement wilde halen en moderniseren. Hij benoemde de eerste vrouwelijke minister en vrouwen bereikten ook de Altlernejo (AM). De sociale wetgeving werd verder uitgebouwd. De economische bedrijvigheid nam toe door de interesse van mogendheden voor het zuidelijke Atlantische en Zuidpoolgebied. Idealistische maar ook verpauperde immigranten vestigden zich in Dacunha. Het woonoord Forte do Mar groeide het meest en Passagon aan de noordkust werd gesticht.

In 1909 werd hij opgevolgd door de eerste vrouwelijke regeringsleider de socialiste Amelia Maria Green (1863-1909-1914-1939)- (vrouwen bleven hun meisjesnaam voeren). In deze periode werd Acunha getroffen door orkanen, overstromingen en een aardbeving (1911).

Zij bevorderde het onderwijs met een leerplicht tot 15 jaar en verbeterde schoollokaties en onderwijsmiddelen. Aan het einde van haar regering waren er in alle woonoorden gemengde lagere scholen, waaronder drie congregatiescholen, twee ambachtsscholen, een nautisch college, een seminarie, een frans college te Leguat, een engels college te Glasson en het Altlernejo Manuelon (AM). Voor de universiteit moesten studenten naar Kaapstad.

Voor de derde keer werd in 1914 David Repetto, inmiddels een overtuigde liberaal gekozen. Hij sloot handelsverdragen met het Verenigd Koninkrijk, de USA en de Unie van Zuid-Afrika. Uit die landen kwamen ook immigranten, m.n. families van ierse afkomst. Tijdens de 1e WO werd Acunha een belangrijk bevoorradings- en toevluchtstation, zoals het ook voor alle Zuidpoolexpedities zou zijn en blijven. De financiële inkomsten werden benut voor het verbeteren van de infrastructuur (wegen, havens, bruggen), utiliteitsprojecten en industrie.

Omstreeks 1920 telde Acunha 20.000 bewoners. Zij kenden een betrekkelijke welvaart en goede voorzieningen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, sociale zorg. Woningbouw en arbeidsomstandigheden bleven achter. De sociale structuur was die van familieclans en verzuiling naar etniciteit en religie.

In 1917 vond de Russische Revolutie plaats en kwam er een communistisch regime; in de westerse wereld, waartoe Acunha behoorde, ontstonden politieke polarisaties. De roden met hun utopisch-socialistische oorsprong geraakten verdeeld en in verval. Voorlopig bleven de blauwen in Acunha aan de macht. Doch onder de liberale president Jonathan Murray (1869-1919-1924-1946) geraakte de archipel in een recessie en nam de maatschappelijke onvrede toe. Er was een misoogst (1921) van aardappelen met grote gevolgen. Er emigreerden honderden naar de continenten, m.n naar Australië. In 1923 werd de kustplaats Glasson door een vloedgolf vernietigd met vele doden en later als Questo herbouwd.

Onder Francesca Andrea Repetto (1879-1924-1934-1956) de linkse dochter van president David Repetto kwam er een geleidelijke economische kentering. Terwijl het door de recessie elders in de wereld slechter ging, braken voor Dacunha betere tijden aan. Havenwerken werden uitgebreid, een spoorlijn en vliegveld Pegasuson (1932) aangelegd, fabrieken gebouwd. Manuelon (12500 inw) kreeg door renovaties en nieuwbouw de allure van een echte hoofdstad. De bevolking groeide tot 21500 bewoners.

Een korte en heftige politieke crisis na overstromingen en misoogst in 1934 bezorgde de partijloze nationalist en kolonel Gaetano Lavarello (1884-1934-1946) het presidentschap, dat hij al spoedig omzette in een dictatuur door de proclamatie van een Noodwet die de Asembleo en andere democratische instituties buiten werking stelde. Hij had aanvankelijk officieren en de bezittende klasse aan zijn zijde, later ook delen van de volksmassa. Acunha keerde terug naar het isolement, maar nu als bewuste politiek. De mogendheden accepteerden die situatie uit een soort onverschilligheid.

Lavarello richtte een paramilitaire organisatie (Agado Naciae) en nationale jeugdbeweging (Juneco Energia) op en wist in vele sectoren een nationalistische monocultuur met passende manifestaties, symbolen en rituelen door te voeren. De Secro (= speciale politie) controleerde groepen en individuen. Portafonso werd een kleine marinebasis. Het eilandje Ilhavento werd als privébezit van Lavarello ingericht als hoofdkwartier. Op de bijeilandjes kwamen militaire posten en werden wetenschappers heengestuurd. Inacesso werd een strafkamp.

Familie en gezin werden nog meer dan in het verleden de bouwstenen van de samenleving; de religieuze genootschappen werden tegengewerkt. De integratie van de diverse bevolkingsgroepen werd afgedwongen.

Tijdens de 2e WO profiteerde het officieel neutrale, maar met de gealieerden symphatiserende Acunha en het regime van de oorlogseconomie. Met de inkomsten werd de infrastructuur (autowegen, spoorlijnen) en woningbouw verbeterd en de agrarische sector gemoderniseerd. De links-democratische invloeden van buiten, m.n. vanaf 1945 waren niet meer te keren. Toen Gaetano Lavarello op 17 maart 1946 werd vermoord viel de dictatuur.

Omstreeks 1950 telde de Acunha-archipel 25000 bewoners. Na de val van de dictatuur Lavarello kwam er een interim-regering, er vormden zich drie politieke partijen de conservatieve FeTra, de liberale South-Atlantic Party (SAP) en de sociaal-democratische Alianco (ASD). De 2e Charta (1947) werd geproclameerd met een presidentieel staatsbestel in regeertermijnen voor vier jaar. Het kiesstelsel voor de Asembleo was gebaseerd op evenredige (25 zetels) en districtenvertegenwoordiging. Tot president werd gekozen de sociaal-democraat Alessandro Faria (1898-1947-1955-1963).

Zijn eerste nationale regering (1947-1951) moest de samenleving opnieuw inrichten. De veroordeling van vertegenwoordigers van het Lavarello-regime was streng. Er werd aansluiting gezocht en verkregen bij internationale organisaties. De USA kreeg vanaf 1949 een marine- en luchtmachtbasis bij Vocovila. Er kwam veel eigentijdse wetgeving tot stand. In zijn tweede regeerperiode (1951-1955) maakte de ASD de dienst uit. Het scheidingsrecht werd ingevoerd. Hij sympathiseerde met verwante (socialistische) buitenlandse regeringen. Er kwam een samenhangend sociaal verzekeringsbestel. De openbare diensten, gezondheidszorg, vervoersystemen en nutsbedrijven werden genationaliseerd. De vakbeweging werd opgericht.

In 1955 werd Andreas Mayar (1896-1955-1961-1967) tot president gekozen en moest hij een coalitie leiden van SAP en FeTra. Door tegenstellingen en oppositie kwam er niet veel tot stand. Het voornaamste was in 1956 de stichting van een kleine universiteit (UNM). De invloed van kerkgenootschappen werd sterker. Acunha werd een belangrijke uitvalsbasis in de Zuidpooljaren 1957/58. Over het algemeen was er status quo in een conservatief klimaat. Na de 1e centrum-rechtse coalitie (1955-1959) volgde de 2e (1959-1961) die voortijdig aftrad om een zakenkabinet mogelijk te maken na de grote gevolgen van de aardbeving met vulkaanuitbarsting van de Montalto in 1961, waarbij Manuelon grote schade opliep.

De 2e nationale regering (1961-1963) kwam onder leiding van admiraal Allan Crawford (1907-1961-1963-1982) en had als voornaamste taken de gevolgen van de eruptie te bestrijden. Met name de hoofdstad Manuelon moest opnieuw worden ingericht. De havenwerken verhuisden naar de kustplaatsen Passagon en Portafonso, fabrieken naar een bedrijventerrein. Er kwam een regeringswijk Edenburgo. Verdere uitbreiding van de hoofdstad werd aan banden gelegd door stimuleringsbeleid. Het vliegveld Pegasuson werd uitgebreid onder de naam Intairacun.

Bij de verkiezingen van 1963 won Leonardo Bylmar (1919-1963-1971) het presidentschap en formeerde hij twee centrum-linkse coalities van ASD en FeTra. De verhoudingen verliepen steeds moeizamer, vooral door de verschillende maatschappijvisies. De justitiële en financiële gelijkberechting van mannen en vrouwen was de belangrijkste prestatie. De Alianco wilde een sterke, regelende en verzorgende overheid, waar de FeTra de driehoek kerk/familie & gezin/ en buurten als hoekstenen wilde handhaven. In de conservatieve samenleving konden amerikaanse (commerciële) invloeden niet geweerd worden. In de buitenlandse politiek was het Bylmar-bewind tegen de apartheidspolitiek van Zuid-Afrika en zocht het toenadering tot Zuid-Amerika. Er werd begonnen met internationale sportcontacten.

De centrum-rechtse coalitieregering (FeTra en SAP) van de katholieke prezidenta Amarya Thuayre (1911-1971-1975-1989) kreeg te maken met de wereldwijde oliecrisis; zij liet een kerncentrale bij Passagon en hydrocentrale bij het Lago Isidoro in de Montalto bouwen. De opvolgende regeringen onder Danilo Bordaguy (1916-1975-1983-1992) voerden een progressief economisch beleid; de inkomsten door de verhuur van bases aan de USA en het gunstige belastingklimaat werden de kurken waar het geheel op dreef. De samenleving veranderde naar een open democratie. Het toerisme werd bevorderd en aan de zuidkust ontstond de urbanisatie Areiaon. Acunha werd een stuk aantrekkelijker voor verblijf en vestiging.

In 1983 won de sociaal-democraat Tomasso Belaunde (1932-/1983-1987/1991-1995/-2004) verrassend de verkiezingen, maar de Alianco bleef de tweede partij, zodat er een moeizame ASD-FeTra-coalitie tot stand kwam, die weinig kon realiseren. De energievoorzieningen kwamen in handen van de overheid. Het maatschappelijk-, buurt- en wijkwerk werden met subsidies gestimuleerd. Maar andere hervormingen bleven achterwege, zodat een linkse coalitie van ASD en SAP werd nagestreefd.

Die kwam in 1987 onder Arthur Lindsay (1929-1987-1991-1998) tot stand. Haar belangrijkste prestatie was de humanisering van de zedelijkheidwetgeving (prostitutie, pornografie, abortus) en het gevangeniswezen. Voorts werd de visserij in 1988 gesaneerd en een coöperatieve fruitteeltorganisatie (EXFRU) opgericht. De werkeloosheid nam na fusies en bedrijfssluitingen toe.

De verkiezingen van 1991 leverden een meerderheidsregering van de ASD onder prezidento Tomasso Belaunde op. Zij zocht nauwe contacten met het Zuid-Afrika van Nelson Mandela. Ze nam in de internationale politiek een onafhankelijker positie in, zeker tegenover de USA. Het uitkeringenstelsel voor zieken, arbeidsongeschikten en werkelozen werd herzien.

Na het socialistische intermezzo komt de liberaal prezidento Philip Swain (1943-1995-2003-heden) aan de macht met een 4e en 5e centrum-rechtse coalitie van SAP en FeTra. De verhuur van de bases aan de USA werd na een referendum in 1999 met 10 jaar verlengd. De keuze voor nauwe banden met de USA legt geen windeieren. Er is tot 2001 sprake van hoogconjunctuur. Het is goed leven in een welvarend Acunha, dat een modern land is geworden met ook de negatieve verschijnselen als toename van criminaliteit en verloedering.

Wiki-inhoud is beschikbaar onder CC-BY-SA tenzij anders vermeld.